Actueel
Spinoza Amsterdammer
gepubliceerd oktober 2008
voor de rechten van deze site zie 'Colofon'
Benedictus de Spinoza (1632 - 1677) is onbetwist de belangrijkste filosoof die Nederland heeft voortgebracht. Zijn faam dankt hij speciaal aan het Theologisch-politiek traktaat (1670) en de Ethica (1677, postuum).

1632 - 1677
Leven in Amsterdam
Spinoza woonde het grootste deel van zijn betrekkelijk korte leven in Amsterdam. Daar werd hij op 24 november 1632 geboren als zoon van Michael d'Espinoza en diens tweede vrouw Hanna Debora. Zijn ouders maakten deel uit van de nieuwe joodse gemeenschap in Amsterdam, die zich daar had gevestigd om te ontkomen aan de vervolgingen in Spanje en Portugal. De taal waarmee Spinoza thuis opgroeide was het Portugees; zijn roepnaam was Bento, de vertaling van zijn Hebreeuwse naam Baruch, ‘de gezegende'. Op de Talmud Torah-school van de joods-Portugese gemeente leerde hij Hebreeuws en Spaans. Nederlands sprak en schreef hij wel, maar niet gemakkelijk. Latijn, de taal waarin hij al zijn werken zou schrijven, leerde hij op een privéschool die de ex-jezuïet Franciscus van de Enden in 1652 in Amsterdam opende.
Spinoza's jeugd en jonge jaren zijn grotendeels aan ons gezicht onttrokken: er is maar heel weinig over bekend. Omdat hij vroeg naam had gemaakt als denker - zelfs voordat hij nog maar iets had gepubliceerd - en zijn eerste geschriften al getuigen van diepgang en rijpheid, is het aannemelijk dat Spinoza al jong tot zijn wijsgerige inzichten is gekomen. Als jonge man werd hij met een banvloek uit de Amsterdamse joodse gemeenschap verstoten. Dit is vaak in verband gebracht met zijn godsopvatting en vooral met zijn kritiek op de joodse traditie, zoals we die uit de latere geschriften kennen. Maar of zijn filosofische ideeën hierin een rol speelden, en wat die ideeën toen precies waren, blijft onduidelijk. Mogelijk waren er ook andere factoren in het geding: Spinoza's weigering zich te houden aan de geschreven en ongeschreven regels van de joodse gemeenschap, zijn onverschilligheid ten aanzien van de uitwendige eredienst, en wellicht ook financiële perikelen. Hij was koopman, en dreef samen met zijn broer Gabriel een handelsfirma die ze van hun vader hadden geërfd. Toen op 27 juli 1656 de grote ban over Spinoza werd uitgesproken, ondernam Spinoza niets om die ongedaan te maken. Kennelijk had hij geen behoefte aan een terugkeer in de joodse gemeenschap. Daarmee kwam ook een einde aan zijn bestaan als koopman. Spinoza leefde nadien sober, kreeg enige financiële ondersteuning van zijn vrienden, en sleep lenzen voor telescopen, die bij geleerden als Christiaan Huygens hoog stonden aangeschreven.
De ban is altijd sterk tot de verbeelding blijven spreken, en omdat er zo weinig bekend is over de precieze toedracht doen er allerlei fantastische verhalen de ronde. De negentiende-eeuwse prent die Spinoza afbeeldt ‘voor zijn rechters' (afb.1) hoort tot die fantasieën.
In Rijnsburg schreef hij zijn eerste publicatie, waarin hij nog niet zijn eigen wijsgerige opvattingen presenteerde: het boek is een bewerking van delen van de Principia philosophiae (Beginselen van de wijsbegeerte) van René Descartes, met een aanhangsel over de scholastieke wijsbegeerte van zijn tijd. Dit is het enige werk dat Spinoza niet anoniem publiceerde. De titelpagina vermeldt zijn naam, in de Latijnse vorm ‘Benedictus de Spinoza', en daarachter: ‘Amsterdammer'. (afb.2)
Brief aan Lodewijk Meyer
In een brief aan Lodewijk Meyer geeft Spinoza aanwijzingen voor het gereed maken van de tekst van het boek, dat in Amsterdam werd uitgegeven en waarop Spinoza zelf niet direct kon toezien. Het oorspronkelijke handschrift van deze brief bevindt zich in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. (afb.3 )
Bijlagen
Tractatus theologico-politicus
Toen zijn Principia in 1663 verscheen, was Spinoza inmiddels verhuisd naar Voorburg. Daar werkte hij verder aan zijn Ethica, een activiteit die hij onderbrak voor het schrijven van zijn andere grote werk, het Theologisch-politiek traktaat, een baanbrekend onderzoek naar de historische overlevering van de bijbel, en tevens een indrukwekkend pleidooi voor de vrijheid van filosoferen. Die combinatie van theologie en politiek werd ingegeven door Spinoza's zorg om de bemoeienis van de predikanten met politiek en wetenschap. Traditioneel werd dit ingrijpen gerechtvaardigd door naar de bijbel te verwijzen. Daartegenover wilde Spinoza aantonen dat vrijheid van filosoferen juist een voorwaarde is voor de vrijheid en de moraal van de samenleving. Het boek eindigt met een beroemde lofzang op de vrijheid die volgens Spinoza heerst in de stad Amsterdam.
Bijlagen
Druk en herdruk Tractatus theologico-politicus
Tussen eind 1669 en begin 1671 verhuisde Spinoza van Voorburg naar Den Haag, waar hij op twee verschillende adressen heeft gewoond. Het Theologisch-politiek traktaat verscheen in 1670 anoniem en met een vals uitgeversadres (‘Hamburg'), om vervolging te bemoeilijken. Maar na het rampjaar 1672, toen Nederland in oorlog was met Frankrijk, Engeland, Keulen en Münster, en de gebroeders de Wit in Den Haag (niet ver van Spinoza's woning) werden gelyncht, was het politieke klimaat in Nederland zo grimmig geworden dat het boek toch verboden werd. Het effect daarvan was overigens eerder averechts: de uitgever heeft het boek daarna nog enkele malen herdrukt. Hij deed echter wel alsof het geen herdruk was, maar een restant van de druk uit 1670, toen het verbod nog niet gold. De druk met het jaartal 1672 (afb. 4), afkomstig uit de nagelaten bibliotheek van de filosoof Leo Polak (1880-1941), is dan ook zeldzaam: de drukker realiseerde zich dat het verschijningsjaar ‘1670' moest luiden en wijzigde dat alsnog in een deel van de oplage.
Opera posthuma
In Den Haag voltooide Spinoza zijn Ethica. Het manuscript was in juli 1675 gereed voor de druk, en hij ging ermee naar zijn vaste uitgever Jan Rieuwertsz in Amsterdam om de uitgave te regelen. Toen hij daarmee bezig was, bleek dat het gerucht hem al vooruit was gesneld. De sfeer was zo vijandig dat Spinoza besloot voorlopig van publicatie af te zien. Deze situatie beschreef hij in een brief aan Henry Oldenburg, die is opgenomen in de Opera posthuma (afb.7).
Bijlagen
Spinoza borg het manuscript weer op, in afwachting van betere tijden. Toen hij na twee jaar zijn einde voelde naderen, gaf hij zijn huisbaas Van Spyk opdracht de tekst in het geval dat hij zou overlijden direct naar de uitgever in Amsterdam te sturen. Op 21 februari 1677 overleed Spinoza aan een longziekte. Het glasstof dat hij bij het slijpen van lenzen had ingeademd zal daarbij zeker een rol hebben gespeeld. De huisbaas liet de lessenaar van Spinoza met daarin het handschrift van de Ethica meteen per trekschuit naar Amsterdam brengen. Zijn Amsterdamse vrienden, onder wie Johannes Bouwmeester en Lodewijk Meyer, zorgden ervoor dat zijn nalatenschap werd gepubliceerd: binnen een jaar kwam Spinoza's Opera posthuma uit (afb.8), tegelijk met een Nederlandse vertaling onder de titel De nagelate schriften van B.d.S. Behalve de Ethica, op de publicatie waarvan de filosoof zelf had aangedrongen, bevat de Opera posthuma ook nog correspondentie en een drietal onvoltooide verhandelingen: een vroeg werk over de methode, Tractatus de intellectus emendatione; een beknopte Hebreeuwse grammatica; en een werk waaraan hij schreef op het moment van zijn dood, de Tractatus politicus.
Een brief aan een (onbekende) vriend is als voorwoord bij dat laatste werk opgenomen. Spinoza schreef deze brief in het Nederlands: de originele versie is die welke te vinden is in De nagelate schriften (afb.9).
God, substantie en natuur
Zoals de titel Ethica al aangeeft, was Spinoza's wijsgerige motivatie de vraag naar het menselijk heil. Hoe kunnen we, gegeven de aard en de vermogens van de mens, gelukkig worden? Om die vraag te kunnen beantwoorden werkte Spinoza een omvattend filosofisch stelsel uit, vanuit een metafysische visie op de aard van de mens en diens plaats in de natuur als geheel. De Ethica begint met een definitie van substantie die de invloed verraadt van Descartes. Die had in zijn Beginselen van de wijsbegeerte substantie omschreven als datgene wat zo bestaat, dat het niets anders nodig heeft om te kunnen bestaan. Het enige wezen dat echt helemaal niets anders nodig heeft om te kunnen bestaan is God. Spinoza nam deze definitie serieus, en trok de conclusie dat dit wezen dan ook alomvattend zou moeten zijn, dus samenvalt met de hele natuur. In de Ethica, geschreven naar het model van De elementen, het meetkundeboek van Euclides, bewijst Spinoza de volledige identificatie van God, substantie en natuur in stellingen 14 en 15 van het eerste deel.
Bijlagen
Dit samenvallen van God en natuur blijkt fataal te zijn voor elke traditionele godsopvatting, zoals de nietsvermoedende zeventiende-eeuwse lezer ook met een schok moet hebben ontdekt. God is niet langer een persoon; er is geen schepping, slechts een zichzelf voortbrengen van de natuur. Daarmee is elke transcendentie verdwenen: God is niet voorbij of achter de natuur. Bovendien blijkt elke doelmatigheid in de natuur een illusie te zijn: omdat de wereld niet door God is geschapen, maar zichzelf voortdurend vanuit haar eigen inwendige wetmatigheid en dynamiek produceert, is er geen vooropgezet doel geweest, geen reden waartoe de wereld bestaat. Er is geen hiernamaals waar de zielen van de mensen loon dan wel straf ontvangen voor hun leven op aarde. God is geen schepper en geen rechter. Evenmin vallen hem menselijke hartstochten als toorn of afgunst toe te schrijven. Hij grijpt ook niet in de loop van de natuur in om mensen te helpen of te treffen: wonderen bestaan niet, en bidden heeft geen zin. Spinoza lijkt definitief met elke godsdienst te hebben gebroken. Geen wonder dat zijn wijsbegeerte zeer omstreden is geweest. Alle tegenstand ten spijt maakt Spinoza sinds het begin van de negentiende eeuw deel uit van de canon van de geschiedenis van de filosofie.
Tekst: Piet Steenbakkers
Samenstelling expositie: Lidie Koeneman en Piet Steenbakkers





![Spinoza, Tractatus theologico-politicus (Hamburg [= Amsterdam], 1672), tweede druk, titelpagina. Collectie UB, UvA, sign. O 60-3474:1](/cache/E4DF4886-1321-B0BE-68FC56C8FCF655BA.FOTO_IN.png?39707.646203704)


![Spinoza, B[enedicti] d[e] S[pinoza] Opera posthuma (Zonder plaats [= Amsterdam], 1677), p. 447, Brief 68 aan Henry Oldenburg, september/oktober 1675, over de gestrande poging de Ethica te laten drukken. Collectie UB, UvA, sign. O 60-1982](/cache/6BDBA352-1321-B0BE-A45AADBA4CE04283.FOTO_IN.png?39707.753611111)
![Spinoza, B[enedicti] d[e] S[pinoza] Opera posthuma (Zonder plaats [= Amsterdam], 1677), titelpagina. Collectie UB, UvA, sign. RON A-5213](/cache/E4BED312-1321-B0BE-6853F817E98ECF91.FOTO_IN.png?39681.534745370)
![Spinoza, De nagelate schriften van B[enedictus] d[e] S[pinoza] (Zonder plaats [= Amsterdam], 1677), pp. 302–303: brief/voorwoord tot de Staatkundige verhandeling. Collectie UB, UvA, sign. RON A-5214:1](/cache/6FE77A38-1321-B0BE-68E2FBF6570E9708.FOTO_IN.png?39708.531145833)