Gepubliceerd op 2 september 2009
Al zolang onze regering in Den Haag zetelt, is er protest tegen ambtenaarlijke maatregelen die er vandaan komen. In 1893 tekent Korporaal Achilles (pseudoniem van J.F. Nuyens) de humoristische cartoon ‘Klacht van een onderwijzer over de vrije & orde-oefeningen op de lagere school', over Haagse regeldwang bij het schoolvak gymnastiek. Om klacht en cartoon in de tijd te plaatsen is het nodig iets meer te weten over het gymnastiekonderwijs en de bijbehorende wetgeving in de negentiende eeuw.
Lichaamsoefeningen zijn van alle tijden, maar toch duurt het tot de tweede helft van de negentiende eeuw voordat in Nederland brede belangstelling ontstaat voor gymnastiek op school. Pleitbezorgers komen uit verschillende disciplines. Medici zijn van oordeel dat een geoefend lichaam beter bestand is tegen ziekten, pedagogen vinden dat je met stilzitten geen harmonische ontwikkeling van lichaam en geest bereikt, en volgens militairen is een weerbaar volk goed voor de verdediging van het land. Tegenstanders zijn er ook. Zij vinden dat de school er slechts is voor kennisoverdracht - al het overige is franje. De voorstanders beleven hun eerste succes in 1857, wanneer de herziene Wet op het Lager Onderwijs in werking treedt. Deze wet noemt het vak gymnastiek en stelt het facultatief. Het tweede succes is de verplichting van het vak volgens de eerste Wet op het Middelbaar Onderwijs in 1863. De enige vorm van middelbaar onderwijs die onder deze wet valt, is overigens de gloednieuwe hbs. Gymnasia vallen tot 1921 nog onder de Hoger Onderwijswet en tot dan komt gymnastiek niet op het gymnasiale lesrooster voor. Verplichting voor het lager onderwijs is voorlopig nog niet aan de orde. Het bouwen van een goed geoutilleerde gymzaal - met brug, ringen, paard, rekstok, wandrek etc. - vraagt een forse investering. Bovendien zijn er niet voldoende gekwalificeerde onderwijzers. Niettemin neemt de druk om gymnastiek in te voeren toe. Een wijziging van de Wet op het Lager Onderwijs in 1889 brengt een compromis: een deel van het vak zal niet verplicht zijn, namelijk dat deel waarbij toestellen gebruikt worden. Een ander deel, waarvoor de speelplaats of een ruimte in of buiten de school goed genoeg is, wordt wel verplicht. In de wet wordt dit aangeduid met ‘de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek'. Bij vrije oefeningen zijn vrije bewegingen mogelijk, orde-oefeningen bestaan uit voorgeschreven bewegingen die alle kinderen van de groep gelijktijdig maken.
Even als altijd, maakt ook nu nog 't onderwijs eene aanhoudende zorg der regeering uit. Jaarlijks worden stapels staten, tabellen en statistieken aangevoerd, om den goeden gang te regelen, totdat eenige heeren tot de vreeselijke ontdekking komen, dat de gymnastiek bij het lager onderwijs nog niet verplichtend is gesteld. Dadelijk gaat men petitionneeren en eindelijk besluit Minister Zeus, den bliksem der vrije en orde-oefeningen op de arme onderwijzerswereld neer te slingeren.
Vanaf 1890 is gymnastiek opgenomen in het normale vakkenpakket van de kweekschool (de toenmalige pedagogische academie). Sommige kweekscholen bieden een aparte cursus, die in functie zijnde onderwijzers de gelegenheid biedt de bevoegdheid voor het geven van vrije en orde-oefeningen te verkrijgen. Korporaal Achilles ageert tegen de verplichting deze bevoegdheid te halen. Hij vraagt zich af of het billijk is om hen die al een onderwijzersakte bezitten, tot een nieuw examen te dwingen: ‘Is het geen tyrannie in 't kleine om hen voor de keus te stellen, of nog eens te gaan studeeren in een vak, waarvan zij misschien nooit gehoord hebben, of hunne zuur verdiende akte in zeker opzicht zonder waarde te zien worden? Is het niet bespottelijk, mannen van 40, 50, 60 soms 70 jaar weer kinderkunstjes te laten maken? En grenst het niet aan krankzinnigheid, zulke oude luidjes, stijf en stram als ze zijn, vrije en orde-oefeningen te laten onderwijzen, waarbij zij onmogelijk de bewegingen kunnen voordoen, al zou 't hun ook den hals kosten!'
In het vervolg van het zestien pagina's tellende boekje zien we hoe vier onderwijzers zich al oefenend samen op het examen voorbereiden. Het gaat ze niet gemakkelijk af en in de buitenwereld heerst onbegrip. Hier enkele van de plaatjes.
Proeve van een eenvoudig nabootsingsspel zeer geschikt voor bejaarde lui.
Op nu makkers ! hop sa sa, Dansen, springen, ha la la; Zet de handen in de zij, Op uw hoofd nu allebei,
Proeve van een eenvoudig nabootsinsspel zeer geschikt voor bejaarde lui, vervolg.
Nu weer de armen langs het lijf; Let wel op een nieuw bedrijf; Met de handjes klap, klap, klap, En de voetjes stap, stap, stap.
Ziet, zoo doet een orgelman, Maar alweer genoeg er van; Staat nu allen even stil, Maakt uw handen tot een bril. De lezer gelieve op te merken, dat meester Stok de beweging verkeerd doet. 't Beste paard struikelt wel eens. 't Is ook niet zoo gemakkelijk als 't wel lijkt. | | | | | | | | | | | | Intusschen gaat Mietje, de oude huishoudster van meester Wervel, eens zien, wat dat leven op zolder beduidt. 't Goede mensch slaat van verbazing de handen ineen en kan zich maar niet voorstellen waar al dat lawaai voor dienst. |
Nu de bril van 't neusjen af, Schieten wij op eens pief, paf! Allen op de rechter knie, Op 't bevel van een, twee, drie, Schiet elkander toch niet dood! Neen, o neen dat heeft geen nood. Opgestaan, en dan terstond Linkerknietjen op den grond. | | | | | | | | | | | | | Goeie God! denkt Mietje. Het schoolhouden valt den meesters te zwaar. 't Is hun in 't hoofd geslagen. Heere, Heere! Wat een oud mensch al niet beleven moet. Op den ouden dag worden ze gek, en nog wel alle vier tegelijk. En half weenend strompelt het bestje de trap af, om de treurige boodschap aan buurman Kees over te brengen. |
Bron: R. Jansma
|